Menu

En zo begint de brief die ik gevonden heb:

“Mijn geliefde, op mijn achtste levensjaar heb ik de Nijl
in Soedan overgezwommen, het water was fris als de hemel,
helder als woorden van moeder, met onder het oppervlak
nijlkrokodillen. Toen ik uitgeput uit de rivier kwam, begreep ik
wat wijsheid is. De oude man die naar de overkant wees
en mij waarschuwde voor de stroming van het water, lag
met zijn gezicht naar de aarde. De man die de trekker overhaalde
was een bekende van hem. Ik vluchtte de zandheuvels op,
voetsporen verdwenen in het warme zand.

Op mijn tiende bleef ik slapen in de Libische woestijn, toen ik
wakker werd met een zandadder gekruld op mijn buik,
begreep ik wat machteloosheid is, wat warmte voor het leven
betekent. Zag hoe mannen elkaar bedreigden met traditie,
de blik in hun ogen was nog scherper dan het hadendoames.

Ik was nog geen twaalf jaar, woonde in een huis met een deur
naar het park, werd elke ochtend wakker door het gekraai
van hanen. De keuken vulde zich met de geuren van het morgenrood.
Mijn moeder vertrok onverwacht, haar koffers gevuld met
woedeuitbarstingen, de schaduw van een vader bleef achter.
Begreep dat het leven geen tweesprong is, samen met de maan
en de sterren bleef ik tot het einde van mijn hondenwacht. De draad
die de wond bij elkaar hield brak.

Met vijftien jaar verliet ik de paleizen van mijn stoffige stad,
in de buidel al het goud en edelstenen. Ik werd de dief
van de saffier genoemd, prooi voor de premiejagers.
Toen begreep ik dat je zelfs kopers nodig hebt voor het onrecht.
Na vele namen te hebben aangenomen zocht ik onderdak
bij de Koerden van de Eufraat. Keek maandenlang naar het water,
hoe het elke keer een handvol aarde met zich meesleepte.

Deze rivier uit de bergen, een bedaagde getuige van beschavingen,
waar mannen hun bebloede lichamen wasten tijdens hun terugtocht
uit oorlogen en plunderingen lag er nu vredig bij. Vrouwen wassen in dit water
de kleren van hun gezinnen. Ik ging in erin liggen en liet mij meedrijven
als hout, armen gespreid ogen gesloten, luisterde naar de reis van het water.
In deze rust schreeuwde macht zijn hebzucht uit. In het geweten
zal het zwaard van vraatzucht altijd een wetsteen vinden.

Op mijn achttiende jaar werd mijn hart verliefd op jou,
een getrouwde vrouw, twee keer zo oud als ik. De nachten
met jou waren de oases van mijn leven. Jij was het rijpste verlangen
waar ik naar kon reiken. In jouw geur de bloesems van alle
jonge vrouwen, in jouw zachte huid wentelt de carrousel van genot.
In jouw ogen, in jouw zoute zweet kon ik elke nacht sterven.
Jij was mijn zee en ik een roeiboot die in het paradijs verdwaalde.

Tot mijn grote verdriet werd ik elke ochtend wakker zonder jou,
mijn diepste zucht, mijn sluier van de zonde. Als de nacht naderde,
ik jou in de armen van je man dacht, werd ik gek, gekaapt
door jalousie. Wilde jou niet alleen veroveren maar ook
voor mijzelf bezitten, jij moest elke nacht mijn
hemellichaam zijn, mijn zon, mijn wijn.

Ik had geen keuze, moest jou verlaten, om het kwaad in mijn hart
in bedwang te houden. Twintig winters oud
zocht ik het Tibetaanse hoogland bij Yarmothang op,
om te vluchten voor jou, mijn voeten bevroren ogen wanhopig
met een hart dat jou opeiste, lucht ijl, uitzicht waarin mijn ziel
wilde verdwijnen. Mijn geliefde, jij bent als de stad
Sanliurfa die mij altijd terugroept. Elke dag probeer ik
jou te weigeren. Begreep dat liefde het grootste lijden is.

Het duurde lang tot ik tweeëntwintig werd. Vermagerd,
mijn baard gegroeid tot op mijn borst. Daalde met een jonk
de rivier de Yangtze af naar Chongqing, zag in elke vrouw
jou. Daar besloot ik weer terug te gaan. Wist niet meer waar
mijn huis was. Mijn gedachten hadden geen land meer, geen oevers,
het bos was voorgoed gekapt. Lichaam leeg, familie
verspreid over landen met hoge muren.

Nu is mijn adem nergens meer te voelen, elke regen is in staat
mij te verdrinken. Jij bent mijn wanhoop, de dauw waar een insect
in de woestijn op wacht. Nu drieëntwintig, verzwakt en uitgeput.
Genoeg gezien om een leven te vullen. Nachten vol gezongen
als een krekel. Ik schrijf jou deze brief, binnenkort zal ik jou
opzoeken, voor de laatste keer zonder dat iemand mij ziet.
Mijn verlangen zal als een poster op elke hoek van de straat
hangen. Ik zal jou kussen en jij zult het niet eens merken.

Als ergens een vlag wappert zal ik het zijn, als een vogel
uit een struik opstijgt zal ik het zijn die de vogel verschrikt.
Als een tak breekt in het donker, weet dat ik het was
die in die boom klom om naar jou kijken. Als de stroom in jouw huis
uitvalt, de wind naar binnen waait, zul jij mijn adem tussen jouw
haren voelen. Als je onderweg bent, het maakt niet uit waarnaartoe,
en je moet onverwachts omkijken, weet dat ik dat ben die
jou begeert, zonder een woord te zeggen. Oh, mijn geliefde
als je naakt bent voor de spiegel, wacht niet op mij.”

Nu heb ik deze brief in mijn handen
aan welke vrouw moet ik die overhandigen.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.