Menu

In zijn koffer legt Joop rustig en nauwkeurig
vijf blikken bier aan de rechter kant, vroeger
zaten daar zijn wandelschoenen, maar die heeft
hij al lang niet meer. De goedkope wijn wikkelt hij
in zijn oude trui. Deze trui had hij voor het eerst
aan op het feest, vijfentwintig jaar in dienst.

Hij gaat de straat op, sleept de rolkoffer
achter zich aan, alsof de wereld alleen voor hem
bestaat. Iemand die schulden met zich meesleept
raakt een bepaald gevoel kwijt, ook Joop. Hij kijkt
naar de grijze wolken, hij is goed geworden in het
voorspellen van het weer. Dat word je als je er elke
dag mee moet leven. Anders wordt zelfs je ziel nat.

Joop zoek een plaats onder de enorme hemel. Alleen
hier mag hij schuilen, de hele dag zitten, haalt uit
zijn jas zijn mondharmonica. Voor de lol vraagt hij
wel eens een kus aan nette dames, alle dames
schrikken van hem. Hij zet een beker met muntstukken
op het trottoir, geld lokt geld. Maakt met zijn jas
zijn neus schoon. Neemt een slok bier, het is ochtend.

Een groep pubers gaat lachend, stoeiend, tierend
naar school. Het gaat onweren, de eerste druppels
regen zijn zwaar genoeg om op de aarde aan te komen.
Joop blaast in het instrument. Wat is die man verdomd
goed, alsof de geest van het instrument op zijn
lippen ligt. Helaas heb ik geen kleingeld.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.