Menu

Het was een gletsjer, die een ijskap
over mijn hoofd en in mijn hart
liet glijden, eerst was er het ijs waar
ik in gevangen zat, mijn hart in ijs, een
bevroren spierklomp, Mijn borsten ,uit ijs
gevormde koepels, die boven het koren
op de Limburgse kleigrond gegroeid waren.
Tussen de kerk, de heuvels, de tarwe en de angst.

In koude nachten stuwde de gletsjer
een heuvel op, meerdere heuvels, hij
stuwde duisternis voor me op, een horde
die ik niet meer nemen kon. Plus de tijd,
de ongenadige tijd ten prooi aan de
opwarming, die niet bij mij binnen kwam.
Ik bloeide en stierf door de tijd.
Alleen achterwaarts kan ik nog kijken
naar mijn jeugd, tussen het koren
en de rogge opwaarts gestuwd om te vluchten
op blote voeten door het sissende vuur.
Nu leef ik in de as, van de eerste plattegrond
en spuug op de tijd die ik graag had willen omhelzen.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.