Menu

“Het is jammer te bedenken dat de natuur spreekt maar dat de mensheid niet luistert.”    (Victor Hugo)                

I.
Er komt geen einde aan de regen, de hagel in mijn tweede land
Het geel van de narcis is al lang begraven
Het groen van de bomen onzichtbaar
Ook het sneeuwklokje is toegedekt
Onder de donkergrijze wolken
Strekken zich, oneindige tulpenvelden uit
Hongerig, naar zuurstof happend
Roepen de vogels het licht aan
En ik kreun…

I.a.
Zo ook vanochtend in Nederland
Op mijn route van Oost naar West
Door de Veluwe, die in tweeën splijt
In de maand maart van het jaar tweeduizenddertien
Is de aarde hagelwit zoals in ver vervlogen tijden
Ook al wordt het asfalt bestrooid met zout
Het evenwicht in dat gebied wordt halsstarrig bewaakt
Door de tomeloze sympathie van de bomen naar de mens
Hun vrije houding, arm in arm, zij aan zij, rug aan rug
De essentie die zich vormt in de streling van hun wind
Openbaart zich in de ogen van hen die werkelijk zien
Aan hen die de mysterie van de eenheid in het heelal willen weten
En ik benijd hen..

II.
Mijn zorgen
Zijn in mijn gedachten op de achtergrond
De geluiden uit mijn agenda raken verstrengeld met
Depressieve donkere blikken vol
Migraine, lusteloosheid van mopperende mensen
En ik wacht…
De natuur komt in opstand
Met de aroma van witte jasmijn
Schreeuwt het uit naar de zon
Waar ben je!
De veelzijdigheid die zich wil nestelen in de mens
Nodigt uit tot vriendschap
En ik luister…

III.
Verstilt mijn dichterschap dan nooit
Zijn stroom onuitputtelijk
Op de wegen van dit land
Haast, drukte, vlug vlug
(Vormt zich) een file van honderden kilometers
Maar over het algemeen is men beschaafd in het verkeer
Niemand snijdt je onbeschoft af
De claxon die ik niet gewoon ben
Doet mij opschrikken…
(claxonneren komt zelden voor in dit land)
Ik heb “Radio 1 NL”allang afgezet
En ben overgeschakeld naar Middellandse zee muziek
Nederigheid verbindt mij met inspiratie
Deze mogelijke symbolische vrijheid
Is er enkel in mijn horizon
De vers is liefde
Die ik in mijn ziel tot leven breng
Onzichtbaar echter
Voor dat licht blauwe…

IV.
Nu
Ik naar het kanaal in Amsterdam kijk
Ligt mijn geheim in het geduld wanneer ik oversteek
Een boot nadert de kade
Vingers niet meer in staat om een pen vast te houden
De nimmer falende beweging om zevenzevenendertig
Tijdens het klappertanden rijpen de woorden
Om in de vorm van de regels te beklijven
En als ik fluisterend adem in de microfoon
Valt hun condens in de uitvinding van dit tijdperk, de ‘Iphone’
Deze ijzige wind waar niet aan te wennen is
Beukt koppig, strelend in
Op dit leven waar men gewend is aan het klimaat
Breng balans in de wereld
Zoals deze waterreis mijn hart verwarmd.

Een verscheidenheid aan kleuren in het brein van hen die bewust zijn
In staat om zich in het leven staande te houden
Om de eindigheid te bereiken
Met hen is mijn realiteit
Al mijn kleuren
Ik herrijs…

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.