Menu

 “De zon doet vrouwen ontluiken,” had jij gezegd vadertje minnenmonds, turend naar de vrolijke menigte vóór ons in een plantsoen te Deventer.

Toen was ik pas een jaar of twaalf en begreep nog niet wat jij daarmee bedoelde, maar die hele middag had ik mij wel het hoofd over dat woord ‘ontluiken’ gebroken. In mijn naïviteit had ik de vrouw inmiddels van alle kanten bekeken, maar kon niet bevroeden waar zij dan zou ‘ontluiken’. Luiken hadden naar mijn idee enkel en alleen een sluitende, beschermende functie, zoals sluiers of hoofddoeken. Ik durfde jou niet te vragen wat jij daarmee bedoelde, maar Van Dale ontvouwde mij ook niet het mysterie over opbloeien of opengaan van knoppen.

Op weg naar mijn afspraak zit ik bij het Oosterpark een sigaar te roken. Ik denk aan mijn achttiende verjaardag. Aan de rand van een plantsoen, onthulde jij toen wat jou in het zonnetje afschrikte. Terwijl mijn gedachten door het verleden waren, komt er een jonge, vlezige, blonde vrouw het gazon op lopen. Vlak voor mij gooit zij haar spullen neer, groet mij en begint haar witte blouse te ontknopen.

“Als het zonnig weer is, denken vrouwen niet meer aan het hellevuur en gaan ze zomaar uit de kleren,” ga jij verder.

Intussen trekt de vrouw haar blouse open. Haar zijdezachte roze bh staat bloot aan mijn gulzige ogen.

“Dat bemoeilijkt mijn weg naar de moskee.”

De schone vrouw trekt haar blouse verder uit.

“Ik moet rein van lichaam, maar vooral van bepaalde gedachten zijn als ik de moskee binnenstap.”

Haastig trekt zij haar strakke rok naar beneden. Ik begin mij redelijk onrustig te voelen, kijk om me heen en speel weer de ongeïnteresseerde, beheerste man. Gelukkig heb ik mijn zonnebril op.

“Anders bezondig je je. Je moet in de moskee je hart alleen openen voor Allah en voor engelen.”

De halfnaakte vrouw steekt kundig haar lange vingers onder de sluiting van haar bh op haar rug. Ik heb de neiging achter haar neer te knielen.

“In een godshuis kan ik mijn gedachten aan de vrouwen in het park niet meer terugroepen.”

Met beleid pakt zij de zonnecrème en smeert ze haar borsten, benen en elegante, lange gezicht in. Ik doe mijn bril af om oogcontact met haar te maken, maar zij ziet mij koudweg over het hoofd.

“Het bidden wordt dan een marteling. Ik pendel tussen de imam en de vrouwen.”

Zij leunt op haar ellebogen, draait haar gezicht naar de volle zon en sluit haar ogen. Haar appelvormige borsten wijken uiteen. Vadertje, ik weet niet wat jij zou doen, maar het is niet mijn gewoonte om een vrouw in haar natuurlijke omgeving te storen. Een vrouw is een eiland. Je mag niet zomaar bij haar aan wal gaan.

“Wanneer het regent, ga ik fluitend naar de moskee en bid tot Allah om mij te behoeden voor slechte neigingen.”

De vrouw gaat plat liggen. Met gemengde gevoelens sta ik op om naar Café East of Eden te gaan. “O Vadertje, de moskee heeft altijd tussen ons in gestaan. Met mij deelde jij eerder je religieuze normen en waarden dan je persoonlijke verhalen. Jij hebt je levenspatroon sterk laten bepalen door de uitgespuugde regels van profeten en geestelijken. Ik wilde met jou vooruit kijken, maar mijn ideeën typeerde je als “frietje mayonaise” of als “McDonald’s-shit.” De cultuur die jij als vest hebt aangetrokken vertoont een ruig landschap. Jij bent opgegroeid met Arabieren, hebt fruit geplukt van eigen bomen en gebaad in schone beken. Op het Mondriaan-landschap waarop ik mijn leven probeer te bezingen, sta ik bloot aan heel andere winden. Ik heb met spiernaakte vrouwen een sauna of een naaktstrand gedeeld zonder hun anatomie aan te tasten, maar ik betwijfel of jij ooit door het gordijn van jouw fatsoen heen hebt kunnen kijken naar de expressionistische heuvels en dalen van mijn moeder. Je bent aan het laatste deel van je leven begonnen, zonder de vreemdeling in je gekend te hebben of je innerlijke behang aan mij te hebben getoond. Ik heb zo vaak geprobeerd vrienden met jou te worden, maar telkens ging jij met heilige doden er vandoor. Toen ik zonet naar die vrouw in Adamskostuum zat te kijken, ontdekte ik heel spijtig hoe groot de kloof tussen ons intussen is geworden.

Vadertje, ik ben er inmiddels uit. Hier neem ik afscheid van jou, maar wanneer de regen aan mijn raam tikt of de zon mijn wijntafel verlaat, zal ik aan jou en aan de ontluikende vrouwen denken, die als bloemen onze groene velden van verlangen voor altijd blijven sieren.” 

TUNCAY ÇİNİBULAK

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.