Menu

Murat Işık (İzmir, 11 september 1977) is een Nederlandse schrijver en jurist van Zaza-Turkse afkomst. Işık studeerde rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam en San Francisco State University. Zijn eerste prijs kwam voor zijn korte verhaal ‘De purperen citroen’ tijdens de juni Kunstmaand van 2007. Dit verhaal is door regisseur Thomas Bijsterbosch vertaald in een theaterstuk. In 2011 kreeg hij de El Hizjra Literatuurprijs voor het korte verhaal ‘De laatste reis’.

In 2012 kwam zijn eerste roman uit; ‘Verloren Grond’, waarvoor hij de Bronzen Uil Publieksprijs kreeg. Verloren Grond vertelt de familiegeschiedenis van zijn ouders in Oost-Turkije. Momenteel werkt hij aan zijn tweede roman. Dit verhaal speelt zich af in de Bijlmer, waar Işık is opgegroeid.

Murat Işık

Het lezerspubliek heeft u vooral leren kennen met uw debuutroman ‘Verloren Grond.” Wilt u zich voorstellen aan de lezers van het literaire blad Kara Zambak?

Ik ben inderdaad gedebuteerd met de roman Verloren Grond, een familiegeschiedenis die zich afspeelt in het oosten van Turkije. Dat was in 2012. Voordat ik aan het schrijfproces van vier jaar begon, heb ik als research eerst mijn ouders uitgebreid geïnterviewd over hun jeugd in een dorp vlakbij Varto. Ze hebben mij zo de bouwstenen aangereikt voor mijn roman. Ik heb vervolgens een deel van hun verhalen bewerkt, nieuwe verhaallijnen ontwikkeld, nieuwe personages gecreëerd. Het is dus fictie. Wat ik bijzonder vind, is dat mijn roman in 2014 in het Turks vertaald is (als Kayıp Toprak, uitgegeven door uitgeverij Koton Kitap) en dat mijn familie in Turkije het daardoor ook kan lezen. Het was daarnaast een unieke ervaring om op te mogen treden in Istanbul tijdens het literaire festival Itef Tanpinar en spannend om geïnterviewd te worden in het Turks voor de Turkse tv en radio. Ook met de Zweedse en Duitse vertaling van Verloren Grond ben ik verguld. Ik had tijdens het schrijven van mijn debuut niet kunnen bevroeden dat dit de vruchten zouden zijn van mijn inspanningen. Op dit moment werk ik aan de afronding van mijn tweede roman die zich in de Bijlmermeer, Amsterdam, afspeelt, de wijk waar ik ben opgegroeid. Het gaat over een jongen die op mij lijkt en opgroeit in een flat in de rauwe Bijlmer van de jaren tachtig, in een gezin dat worstelt met een grillige vader.

Tijdens het verhaal verandert niet alleen de jongen, maar ook de wijk en komen de verhoudingen in het gezin steeds meer op scherp te staan. Hoewel het een persoonlijk verhaal is en de jongen in het verhaal op mij lijkt, is het een roman. Het zijn dus niet mijn memoires. Het boek komt in het voorjaar van 2017 uit. Naast het schrijven werk ik drie dagen in de week als jurist bij de gemeente Amsterdam, een baan die mij de vrijheid geeft om te kunnen schrijven.

Wat wilt u uw lezerspubliek vooral meegeven met uw romans? Waarin onderscheidt u uw romans zich van andere romans?

Iedere lezer haalt iets anders uit een roman, dat is ook het mooie van literatuur. Ik ga niet aan de schrijftafel zitten met het idee: en nu ga ik mijn lezers eens dit of dat meegeven. Als schrijver geef je het verhaal aan de lezers en hun verbeeldingskracht gaat er vervolgens mee aan de haal. Wat ik wel probeer is om romans te schrijven waarmee ik me kan onderscheiden, verhalen die niet eerder zijn verteld, voor zover dat nog mogelijk is in de literatuur. Ik wil mijn lezers meenemen in de wereld die ik op papier tot leven wek. Daarbij vind ik avontuur belangrijk in een verhaal. Er moet wat gebeuren, iets op het spel staan en een zekere intensiteit aanwezig zijn. En de personages moeten tot leven komen, waarbij je je als lezer hun lot aantrekt. Als ik zelf een roman lees of film kijk, wil ik op de een of andere manier geraakt worden. En als ik een goed boek tussentijds wegleg, zal ik de sfeer van het verhaal missen, anders haak ik waarschijnlijk af. En na afloop zingt een goed verhaal nog een tijdje door in mijn hoofd. Het verlaat me niet zomaar. Op zo’n soort verhaal zet ik als schrijver in.

Waar plaatst u uw romans in de Nederlandse literatuur? Mogen wij de romans van Murat Işık als een doorbraak in de Nederlandse literatuur beschouwen? Welke dimensies wilt u aan de Nederlandse literatuur toevoegen?

Ik kan me de tijd nog herinneren dat er stukken in de kranten werden geschreven waarin de vraag werd gesteld waar de Nederlandse schrijvers met een Turkse achtergrond toch bleven. De Nederlandse schrijvers met een Marokkaanse achtergrond waren al goed vertegenwoordigd in de Nederlandse Letteren, maar ‘de Turken’ bleven achter. Dat is in het jaar 2012 wel veranderd, want in dat jaar debuteerde ik niet alleen, maar ook andere schrijvers met een Turkse achtergrond. Ik stond dat jaar op Lowlands met Nazmiye Oral en Özcan Akyol. Ons programma heette heel ludiek: ‘De Turken komen.’

In 2012 kreeg ik in interviews nog vaak de vraag waarom Turkse Nederlanders zo weinig schrijven. Die vraag wordt mij niet meer gesteld. Hoewel wij geen homogene groep zijn, is het om vele redenen goed dat de verhalen die wij vertellen hun plek hebben gevonden in de Nederlandse literatuur, en het ieder op hun eigen manier hebben verrijkt, diverser hebben gemaakt. Mijn tweede roman gaat bijvoorbeeld over het nieuwe, veranderende Nederland. Scholieren met een diverse achtergrond kunnen nu op hun leeslijst ook verhalen lezen over personages die op hen lijken, die leven in werelden die zij herkennen. Ze leren nu dat de literatuur niet alleen ‘blank’ is, wat in mijn tijd wel zo was met schrijvers als Hermans, Reve, Mulisch en Wolkers. De leeslijsten van tegenwoordig zijn gevarieerder en werken drempelverlagend. Scholieren met een Turkse of Marokkaanse achtergrond zouden nu ook kunnen denken: dit gaat ook over mij, ik kan dus ook een boek schrijven.

Volgt u de Turkse literatuur? In hoeverre kennen de Nederlanders de Turkse literatuur?

Ik volg vooral de Turkse schrijvers die vertaald zijn. Tijdens mijn optredens in Istanbul heb ik kennisgemaakt met Turkse schrijvers als Ece Temelkuran en Nermin Yildirim. Dat was bijzonder en daardoor ben ik ook in hun werk geïnteresseerd geraakt, en omgekeerd. Voor Temelkuran schreef ik later een quote voor de Nederlandse vertaling van haar roman Muz Sesleri. En op de Turkse vertaling van Verloren grond prijken haar aanprijzing en die van Nermin. Verder mocht ik twee jaar geleden voor de Nederlandse uitgave van een verhalenbundel van Sait Faik Abasiyanik, Verhalen uit Istanbul (die werd uitgegeven door uitgeverij Podium), het nawoord schrijven. Een grote eer.

De Turkse literatuur is hier redelijk bekend bij de kenners. Iedereen kent natuurlijk Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk en velen ook Elif Safak. Wat ik mooi vind om te zien is dat er ook vandaag de dag aandacht is voor het werk van de ‘oude’ schrijvers. Dit jaar werd bijvoorbeeld de roman De Lanterfanter van Yusuf Atilgan in het Nederlands vertaald door Hanneke van der Heijden en uitgegeven door uitgeverij Jürgen Maas. Hanneke vertaalde in recente jaren ook werk van Oguz Atay. En de verhalenbundel van Sait Faik dus. Een mooie en positieve ontwikkeling die hopelijk doorzet.

Er zijn in Nederland kunst en cultuur instellingen (o.a de poëziestichting Balad) die zich buigen over de Turkse/Koerdische en de Nederlandse literatuur. Wat kunnen deze doen om elkaars literatuur beter te leren kennen?

De beste manier om dat te bevorderen is natuurlijk elkaars werk lezen. Daarom ben ik ook blij met de recente vertalingen van het werk van Sait Faik en Yusuf Atilgan. En omgekeerd dringt tot mijn verrassing ook de Nederlandse literatuur langzaam door tot Turkije, want niet alleen mijn werk werd vertaald, maar recent ook dat van Jan van Mersbergen, Bibi Dumon Tak en Wytske Versteeg. En ook de klassieker Max Havelaar van Multatuli werd onlangs vertaald. Erhan Gürer nam die vertaling op zich.

Tot slot; welke vraag zou u zelf willen stellen aan Murat Işık?

Ha, dat is een lastige vraag. Ik zou zeggen: wie zou je willen interviewen? Als mijn literaire held Gabriel García Márquez nog had geleefd, had ik niets liever gewild dan hem spreken over zijn werk en het leven. Een goede tweede is de man die straks na acht jaar hard werken eindelijk van zijn rust mag gaan genieten: Barack Obama. Niet alleen is hij een bijzondere man die velen heeft geïnspireerd en als president veel heeft betekend voor Amerika (ondanks dat hij ongelooflijk en op bijna misdadige wijze werd dwars gezeten in veel van zijn plannen door de Republikeinen en Tea Party). Hij heeft voor verandering gezorgd, zoals beloofd, maar belangrijker: hij heeft veel mensen hoop gegeven. Iets wat niet meetbaar is, maar o zo belangrijk. Ik heb wel wat met Amerika, niet in de laatste plaats omdat ik een half jaar in San Francisco heb gestudeerd in 2001. Het is een land van uitersten, maar ook een onuitputtelijke bron van goede literatuur en meeslepende levensverhalen. Je kunt er diep vallen, maar ook hoog reiken, en dat alles vaak in een leven. En je kunt er schitterende roadtrips maken, ben ik tot mijn genoegen achtergekomen.

Maar terug naar Obama. Niet iedereen weet dat hij ook een heel goede schrijver is. Zijn memoires Dreams from My Father uit 1995 werden heel goed ontvangen en door grote schrijvers als Philip Roth en Toni Morrison hoog gewaardeerd. Ik weet dat hij veel leest en dat Marilynne Robinson een van zijn favoriete schrijvers is. Ik zou Obama willen interviewen over literatuur, over het schrijfproces en natuurlijk zou ik met hem willen terugblikken op acht jaar in het Witte Huis. En off the record: wat vond hij er nou echt van, acht jaar lang de machtigste man van de wereld zijn? Maar vooral: wat heeft het met hem gedaan als mens, al die vuiligheid, opofferingen en tegenslag? Hij zou er vast een bijzonder, House of Cards-achtig boek over kunnen schrijven.

INTERVIEW: HAYDAR EROĞLU & iBRAHİM EROĞLU

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.